|
De werkwijze van
"Multiple Talented"
In mijn werkwijze werk ik o.a. met de meervoudige intelligentie theorie.
Op deze manier gaan de kinderen hun eigen kwaliteiten en talenten
ontdekken en gebruiken, zodat zij zich (weer) optimaal kunnen ontwikkelen
en in balans komen met zichzelf.
Grondlegger van
die theorie, kortweg aangeduid als MI, is de Amerikaanse Harvard-geleerde
Howard Gardner. In een speciaal nummer over intelligentie van The
Scientific American veegt hij de vloer aan met de psychometristen die
intelligentie hebben teruggebracht tot twee objectief meetbare factoren en
de rest van de niet zo gemakkelijk meetbare menselijke capaciteiten afdoen
als talenten. `Met hun beperkte definitie van intelligentie devalueren zij
andere capaciteiten,' stelt Gardner onomwonden. Zo is in hun opvatting een
orkestdirigent wel zeer getalenteerd, maar niet per definitie intelligent.
Ik vind het best om over talenten te spreken, maar laten we dan iemands
verbale en analytische vermogens ook talenten noemen. Gardner betoogt dat
ieder mens minstens acht verschillende typen intelligenties in zich heeft
die niet noodzakelijk met elkaar samenhangen, en van zeer verschillend
niveau kunnen zijn. Zo kan een mens bijzonder muzikaal intelligent zijn
zonder ook maar enige verbale vaardigheid aan de dag te leggen. Een
taalvirtuoos is niet vanzelfsprekend ook een rekenwonder. Gardner: `In
plaats van te denken dat ieder mens een bepaalde intellectuele
paardenkracht,
ofwel IQ heeft dat in verschillende richtingen kan worden gestuurd, ga ik
ervan uit we verschillende, van elkaar onafhankelijke
capaciteiten hebben.' Om te voorkomen dat alles maar intelligentie kan
worden genoemd - zoals Gardners critici tegenwerpen -, heeft hij een
aantal stevige criteria ontwikkeld waaraan vaardigheden, talenten en
capaciteiten moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de kwalificatie
intelligentie. Voor die criteria heeft hij diverse wetenschappelijke
disciplines aangeboord, variërend van taal- en wiskunde tot psychologie,
culturele antropologie en neurobiologie.
Er kan volgens Howard Gardner pas van een intelligentie gesproken
worden als zij:
* Afzonderlijk beschadigd kan raken bij aantasting van hersendelen.
Denk bijvoorbeeld aan afasie
(aantasting van de taalvaardigheid) na een beroerte.
* Zich op uitzonderlijke wijze manifesteert in mensen die op andere
terreinen ver achterblijven. Denk
bijvoorbeeld aan autistische rekenwonders.
* Opgebouwd is uit diverse vaardigheden die nauw met elkaar
samenhangen (muzikale
intelligentie bijvoorbeeld vergt een sterk gevoel voor melodie,
harmonie, ritme, timbre en
muzikale structuur).
* In een individu duidelijk tot ontwikkeling gebracht kan worden.
* Steunt op een plausibele evolutionaire verklaring (zoogdieren
bijvoorbeeld beschikken over een
groot ruimtelijk inzicht).
* Duidelijk is welke delen van de hersenen er precies bij betrokken
zijn.
* Bestaan ervan bevestigd kan worden door psychometrische tests.
* Zich leent voor 'codering' in een symboolsysteem (het alfabet,
cijfers, noten, landkaarten).
Halverwege de jaren negentig voegde hij een achtste intelligentie aan zijn
lijst toe, die van de naturalist. De bijzondere vaardigheid om natuurlijke
objecten te herkennen en categoriseren voldoet volgens Gardner aan alle
criteria. Doorslaggevend was het bewijsmateriaal dat er andere delen van
de hersenen betrokken zijn bij het herkennen en benoemen van natuurlijke
objecten dan bij het benoemen van door mensen gemaakte objecten. Ook
blijken sommige mensen met hersenschade de capaciteit verloren te hebben
om levende dingen te benoemen, terwijl ze dat bij levenloze objecten nog
wel kunnen. Op dit moment is Gardner drukdoende te onderzoeken of een
negende capaciteit zijn toetssteen kan doorstaan: existentiële, spirituele
intelligentie, ofwel het menselijke vermogen om fundamentele vragen over
het bestaan, leven, dood en eindigheid op te werpen en te doorgronden. `Of
de existentiële, spirituele intelligentie deel mag gaan uitmaken van het
heilige der heiligen hangt vooral nog af van de vraag of er in de hersenen
een duidelijke neurale basis voor te vinden is,' aldus Gardner.
Gardner benadrukt dat zijn meervoudige intelligentietheorie past in de
wetenschappelijke trend om meer multidisciplinair te gaan
denken en
onderzoeken. Zijn `MI-theorie' is gestoeld op empirisch bewijsmateriaal
uit verschillende wetenschappelijke disciplines. `Wetenschappelijk gezien
staan de aanhangers van het enkelvoudige IQ (ook wel aangeduid als G ofwel
general intelligence) in toenemende mate alleen.'
Hij hekelt het feit dat desondanks in de praktijk de meeste
intelligentietests nog altijd uitsluitend taalvaardigheid, analytisch
vermogen en ruimtelijk inzicht meten en alle andere uitingen van
verstandelijk vermogen buiten beschouwing laten. `Het wordt hoog tijd het
begrip intelligentie zodanig te verbreden dat het ook de verstandelijke
vermogens omvat van een mens om te musiceren, zichzelf en anderen te
begrijpen en de natuurlijke wereld te ontraadselen.'
|